Webdesign Marquez

'Daar gaat 'ie weer'
Erica Siegers en Matti van Wifferen


'Daar gaat-ie weer' - een oudercursus voor moeilijke opvoedsituaties


Samenvatting:
In onze oudercursus zoeken wij met de ouders naar de opvoedstijl die past bij de individuele ouder in zijn of haar specifieke situatie. Deelname aan de oudercursus wordt niet bepaald door de gezinssamenstelling, de soort problematiek of de leeftijd van het kind, maar door de wens van ouders om de eigen manier van opvoeden te onderzoeken.We gaan er daarbij van uit dat ouders een deel van de oplossing in handen hebben en dat zij niet de veroorzakers zijn van de problemen. Problemen horen bij opvoeden, en sommige ouders en kinderen hebben nu eenmaal meer met elkaar te tobben of te strijden dan andere.


Trefwoorden:oudercursus, opvoedstijl.


Matti van Wifferen werkt als ouderbegeleider bij de polikliniek kinder- en jeugdpsychiatrie van Zonnehuis Veldheim, te Zeist.
Erica Siegers werkt als systeemtherapeut bij dezelfde polikliniek.
Werkadres: Zonnehuizen Veldheim & Stenia, Postbus 99, 3700 AB Zeist


Inleiding
Bij problemen in de opvoeding kom je als ouder onvermijdelijk terecht in moedeloos makende 'daar gaat-ie weer' situaties. Of het nu gaat om een gezin waar aan tafel de zoon eerst een opmerking maakt, waarna de vader enigszins korzelig... en vervolgens de dochter enzovoort; of dat twee zussen wekelijks een paar keer een rituele ruzie maken om de cavia; of dat de kleine treuzelaar elke ochtend opnieuw de eerste vriendelijke aanmaningen negeert, totdat uiteindelijk toch de bom weer barst; het gaat in alle gevallen om een voorspelbaar verloop van interactie. Deze lijkt wel ingestudeerd onder dwang van een tirannieke regisseur.
Dergelijke 'daar gaat-ie weer'- situaties zijn uitgangspunt èn rode draad in oudercursussen op de polikliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie van de Zonnehuizen in Zeist.
Elke cursusgroep telt zes tot acht ouders, zowel paren als alleenstaande ouders. Wat zij met elkaar delen is de ervaring dat zij als ouder steeds opnieuw vastlopen in negatieve interactiepatronen. Het is voor ouders verrassend als in deze situaties naar hun kwaliteiten wordt gezocht in plaats van naar tekortkomingen. Deze kwaliteiten krijgen vervolgens een plaats in een schema van zorgende en empathische vermogens aan de ene kant en structurerende, doelgerichte kwaliteiten aan de andere kant. Op deze manier wordt ieders stijl als opvoeder in beeld gebracht.Elke stijl heeft zowel positieve kwaliteiten als zwakke plekken, en brengt specifieke opgaven mee. In de loop van de cursus vinden ouders nieuwe mogelijkheden om van hun kwaliteiten gebruik te maken.


Plaats van de oudercursus in de behandeling
De deelnemende ouders hebben een kind op onze poli aangemeld en uit het onderzoek is een advies voor ouderbegeleiding of gezinstherapie voortgekomen. Het gaat dus om meer dan gemiddeld moeilijke opvoedsituaties.
De oudercursus is kort, het accent ligt op het eigen aandeel van de ouder in de 'daar gaat-ie weer'-situatie, níet op praten over de problematiek van het kind.
De cursus wordt aangeboden naast of na individuele ouderbegeleiding of gezinstherapie. De ouders hebben in die hulptrajecten meestal meer zicht gekregen op de problematiek en de gewenste aanpak daarvan, maar raken desondanks telkens verstrikt in 'daar gaat-ie weer'-patronen. De eigen rol in deze hardnekkige interactiesequenties wordt expliciet onderzocht en vanuit inzicht daarin voeren ouders op hun manier en in hun tempo verandering in.


Opbouw van de cursus
De oudercursus is opgebouwd uit vier bijeenkomsten. Voordat hij begint vragen wij de ouders om een korte schriftelijke beschrijving van een regelmatig terugkomende probleemsituatie thuis. Hiervoor dragen we de werktitel 'Daar gaat-ie weer' aan. Deze opdracht levert geen enkel probleem op voor de ouders. Meestal kunnen zij zelfs uit meerdere situaties kiezen. Deze beschrijvingen komen niet meteen bij het begin van de cursus aan bod, maar wel hebben ouders tijdens de eerste avonden die concrete situatie al in het hoofd en er wordt gemakkelijk naar teruggekoppeld.
In de eerste bijeenkomst brengen we de gaven en kwaliteiten van de ouders als opvoeder in beeld. In de tweede maken we voor iedere ouder een profiel van gaven en bijbehorende opgaven, waardoor er aan het eind van deze bijeenkomst helderheid is over de eigen opvoedstijl. Die wordt tijdens de derde bijeenkomst samengevat in een beeld of motto. Dat vormt de belangrijkste regieaanwijzing voor rollenspelen die het hoofdbestanddeel zijn voor de rest van deze en van de laatste bijeenkomst.


Een casus
Opzet en verloop van een oudercursus illustreren wij aan de hand van het verhaal van Jos (38) en Paula (40), de ouders van Victor (6) en Sander (1½).


Victor is bij onze polikliniek aangemeld. Zijn ouders zijn wanhopig. De problemen met Victor spelen vanaf zijn tweede jaar. Hij luistert niet, gedraagt zich dwingend, heeft altijd het laatste woord, schreeuwt veel, huilt bij het minste of geringste. Hij kan niet goed met andere kinderen omgaan en heeft geen vriendjes. De ouders ervaren hem als onhandelbaar, hij denkt alleen aan zichzelf, er is over alles strijd. Hij slaat en schopt zijn broertje. De ouders hebben alles al geprobeerd: lief zijn, boos zijn, straffen, belonen, niets helpt. Zij zijn aan hun grens, Jos wordt boos op Victor, Paula raakt uitgeput. Jos: 'Victor verzet zich tegen de wereld', Paula: 'Het is moeilijk om van hem te houden'. Eerdere begeleiding door een orthopedagoog heeft onvoldoende geholpen. De onderzoeksfase op de polikliniek wordt afgesloten met een gesprek waarin de ouders uitleg en advies krijgen met betrekking tot Victor. De ouders herkennen hun zoon daarin en voelen zich gesteund door onze conclusie dat het niet alleen aan hen ligt.
In oudergesprekken wordt de problematiek van Victor verder uitgelegd en worden praktische handvatten aangereikt om met hem om te gaan. De ouders waarderen deze gesprekken, maar thuis is het toch steeds weer alsof Victor hen doelbewust het bloed onder de nagels haalt.


De voorgeschiedenis van de ouders vormt een belastende factor. Paula ziet in het gedrag van Victor haar tirannieke vader; Jos wordt door Victor in een vaderrol gebracht, die hij op grond van zijn eigen jeugd juist nooit had willen hebben. In de gesprekken komt steeds terug dat de situatie voor de ouders onhoudbaar is. In overleg wordt een Boddaertcentrum ingeschakeld. Dat geeft de ouders lucht, en hoewel de toonzetting rond Victor sterk negatief is, blijft de wil van de ouders overeind om de situatie met hem te veranderen. Als Jos op een gegeven moment zegt: 'ik moet mijn beeld van Victor veranderen' en daarbij aangeeft hoe moeilijk dat voor hem ligt, wordt deelname aan de oudercursus voorgesteld. Beide ouders gaan er meteen op in. Jos en Paula nemen als voorbeeld van 'daar gaat-ie weer' het verloop van de ochtend. Iedere ochtend is er met Victor over alles strijd: aankleden, wassen, eten, naar school gaan. Jos wordt boos en schreeuwt. Paula komt in eindeloze discussies terecht. Iedereen is al aan het eind van zijn Latijn als de dag nog moet beginnen.


Bijeenkomst 1 - Gaven en opgaven
De verwachting van de deelnemers aan de cursus is meestal dat de aandacht uit zal gaan naar wat zij allemaal niét goed doen. De verrassing van de eerste avond is dan ook dat we ons richten op wat ieder juist wél kan - op 'gaven'. We leggen de nadruk op de kwaliteiten van iedere ouder en sporen die op met behulp van een schema dat is afgeleid van de ideeën van Schulz von Thun (1989). Het basisidee is dat elke deugd, gave of kwaliteit alleen dan een positieve werking behoudt als deze in balans is met een 'tegenwaarde'. Anders geformuleerd: elke deugd ontaardt, zonder een positieve, tegenovergestelde kracht. Vertaald naar ouderschap betekent het dat de gave 'zorgzaamheid' onvermijdelijk doorschiet naar overbezorgdheid wanneer er geen kwaliteit zoals bijvoorbeeld 'nuchterheid' tegenover staat. Deze gedachtengang is in ons land bewerkt door Ofman (1996) en Van der Meer (1997). De zogenaamde kernkwadranten van Ofman zijn inmiddels in brede kring bekend en richten zich op de 'kernkwaliteiten' van de persoonlijkheid. In onze cursus leggen we de lat wat lager. Het is de bedoeling dat ouders hun praktische opvoedrepertoire uitbreiden; daarom sluiten we aan bij de oorspronkelijke term van Schulz von Thun: 'ontwikkelingskwadrant'.


Het ontwikkelingskwadrant heeft vier aspecten. Een gave is een natuurlijk talent waarmee je geboren wordt. Gaven of talenten kunnen door een 'teveel van het goede' een vervorming te zien geven. De gave 'flexibiliteit' verwordt dan tot wispelturigheid of chaotisch gedrag. De gave 'snelheid' kan doorschieten naar haast of ongeduld.
Om niet te vervormen heeft elke gave een aanvullende opgave nodig. Zo zorgt de opgave 'rust' ervoor dat snelheid niet tè snel wordt, en de opgave 'orde' voorkomt dat flexibiliteit tot wispelturigheid verwordt. Bij problemen met hun kind blijken de ouders van de cursusgroep dit derde aspect, de opgave, zonder problemen onder ogen te zien en er mee aan de slag te gaan.
Jos heeft als gave 'helder en doelgericht kunnen zijn'. Zijn vervorming is 'kort door de bocht'. In dit laatste herkent hij het gedrag dat elke ochtend door zijn zoon wordt opgeroepen. De opgave die er voor hem bij hoort is 'aanpassen'.


De meeste mensen kunnen hun opgaven wel erkennen. Anders wordt het wanneer een opgave in uitvergrote gedaante verschijnt. Orde is acceptabel, maar starheid wekt weerstand; en iemand die accepteert dat rust een zinnige opgave is, zet zijn stekels op zodra hij te maken krijgt met traagheid of sloomheid. De uitvergrote opgave roept doorgaans een sterke afweer op: de allergie. Dit vierde aspect van het kwadrant gaat dan vergezeld van minachting, ergernis of weerstand.'
Je kunnen aanpassen' ziet Jos als zinvol, maar van 'teveel aanpassen' in de vorm van onechtheid en gekunsteldheid gaan zijn haren overeind staan. Het schema van Jos ziet er in z'n geheel als volgt uit:



















Iedere ouder vult stapsgewijs vier eigen ontwikkelingskwadranten in. Dit gebeurt in groepjes van drie of vier. Men vraagt elkaar en ons om hulp in een open en geanimeerde sfeer. De eigen vervormingen, waar doorgaans toch gêne over is, worden heel makkelijk gevonden en uitgewisseld.Het benoemen van eigen gaven blijkt lastiger te zijn. De meeste mensen zijn zo vergroeid met hun eigen gaven, dat ze zich deze nauwelijks bewust zijn. Datgene waaraan we ons groen en geel ergeren weten we daarentegen maar al te goed. Vandaar dat het goed werkt om vanuit dat wat je afwijst de andere aspecten in beeld te brengen Paula wijst koelheid en afstandelijkheid sterk af. Het kwadrant dat zij vanuit deze allergie maakt, ziet er als volgt uit:



















De eerste avond gaat iedere ouder met vier kwadranten naar huis. Wij vragen hen thuis te registreren wanneer zij vanuit hun gaven handelen en onder welke omstandigheden zij in een vervorming terechtkomen. Het is een uitnodiging om met de opgedane inzichten actief om te gaan, maar zonder enige druk om zich al anders te gedragen. Het gaat er om dat een invoelende moeder ziet hoe ze weer de mantel der liefde hanteert als het dochtertje haar broer 'alleen maar even plaagt'. Soms geeft alleen al het zicht op eigen gaven en vervormingen onverwachte resultaten. Zo wilde een vader met de gaven 'ordelijkheid, doelgerichtheid, standvastigheid en gemoedelijkheid' het in de omgang met zijn overbeweeglijke zoon vooral gemoedelijk houden. Dit leidde regelmatig tot scènes waarbij hij met een overdosis doelgerichtheid ging corrigeren. Het simpele inzicht dat hij met dit patroon onnodig vaak en in een veel te felle strijd terecht kwam, leidde al in de eerste week tot merkbare verbetering. Iets dergelijks overkwam Paula en Jos. Jos wordt er zich na de eerste avond van bewust hoe hij steeds te kort door de bocht gaat als Victor iets van zijn broertje afpakt of niet wil eten. Er ontstaat dan ieder keer tegen zijn wil een hele scène. Paula wordt zich ervan bewust hoe kwetsbaar zij zich voelt en dat dit haar lam legt. Zij gaat daadkrachtiger met Victor om: 'Dat gedoe met de pap...., ik voer hem gewoon'.


Bijeenkomst 2 - Profiel van de ouder
De tweede avond maken we van alle gaven, die met behulp van de vier kwadranten zijn gevonden, een 'profiel van de ouder'. Het bevat een aantal karakteristieken, die staan voor wat wij de relatiegerichte en de doelgerichte kwaliteiten van de ouder noemen. Relatiegerichte kwaliteiten worden samengevat in de kernbegrippen zorgzaamheid, inlevingsvermogen en beweeglijkheid. Bij zorgzaamheid denken we aan toewijding aan de ander, ontvankelijkheid voor de behoeften van anderen, en het vermogen om te schenken. Het vermogen tot inleving stelt ons in staat om ons in anderen te verplaatsen en is de basis voor mededogen. Beweeglijkheid is binnen dit kader de kunst om te buigen, mee te bewegen, af te wegen, en een voorwaarde om van het eigen standpunt af te wijken. Daarmee is deze kwaliteit de basis voor alle onderhandelen. Ook afleiden, relativeren en humor worden bij beweeglijkheid ondergebracht. Deze relatiegerichte kwaliteiten hadden zo ongeveer het alleenrecht in de anti-autoritaire opvoeding en leiden snel tot een te permissieve opvoedingsstijl.

Doelgerichte kwaliteiten worden samengevat met de kernbegrippen bedachtzaamheid, ordelijkheid en daadkracht. Bedachtzaamheid heeft een breed bereik: van diepgaande bezinning tot het voornemen er nog een nachtje over te slapen. Het is het vermogen om afstand te nemen en leidt tot helder begrip, maar ook tot besluitvaardigheid en trouw aan keuzes en idealen. Ordelijkheid staat in pedagogische situaties vooral voor consequent zijn. Ordelijkheid rangschikt en regelt, maakt een besluit tot iets waar je van op aan kunt. Het geeft overzicht en een heldere structuur. Daadkracht is naar buiten gericht, direct en resoluut. Daadkracht maakt concreet en feitelijk. Deze doelgerichte kwaliteiten vormden het hoofdbestanddeel van de ouderwetse autoritaire opvoeding. De positieve kenmerken van beide groepen kwaliteiten vormen samen de pijlers voor een evenwichtige opvoeding, en wij merken dat een goed werkend ouderschapsmodel (de kwaliteitenbalans) is te construeren met deze kernbegrippen.


Liefde als basiskwaliteit en als probleem
Er ontbreekt nog één kwaliteit en wel de belangrijkste. De vraag wat kinderen het meest nodig hebben wordt vaak beantwoord met: liefde. Het is gangbaar om liefde in de opvoeding gelijk te stellen met de relatiegerichte kwaliteiten. Iemand die vooral goed is in de doelgerichte kwaliteiten heet streng. Dit berust echter op een misverstand. Gezinnen met een opvoedingsstijl, waarin de relatiegerichte kwaliteiten het alleenrecht hebben, veranderen vaak in strijdtonelen met steeds dezelfde scènes. Liefde wordt pas werkzaam als het de kracht is die alle andere kwaliteiten inspireert, ook de doelgerichte. Dit is een pleidooi voor erkenning van de affectie die schuil kan gaan achter strengheid. Daarmee wordt zeker geen lans gebroken voor de autoritaire opvoeding. Wanneer doelgerichte kwaliteiten het alleenrecht hebben, leidt dit tot een koud en star gezinsklimaat. Paula meldde bij het intakegesprek dat het moeilijk was om van Victor te houden. Elke ouder kan inderdaad worden overspoeld door problemen. De bron van positieve aandacht valt dan droog. Het is niet tegennatuurlijk om geen liefde te voelen voor een kind dat de hele dag door dwars ligt of zich afsluit voor contact, waarom dan ook. Ouders lijden aan dit ontbreken van liefde en ervaren het als een ernstig falen. Het is dan nodig hen te steunen in hun wens de situatie te veranderen.


De balans
Het ideaal is een evenwicht tussen relatiegerichte en doelgerichte kwaliteiten, maar dat evenwicht is niet vanzelfsprekend. Vaak brengt een sterke kwaliteit aan de ene kant een zwakke eigenschap in de tegenovergestelde richting met zich mee. Ook is voor een optimaal evenwicht tussen relatiegerichte en doelgerichte kwaliteiten geen regel of wet te formuleren. Het optimum hangt af van wat de opvoeder in huis heeft en wat een kind vraagt. Inzicht in de noodzaak van een evenwicht helpt ouders echter om de valkuil van 'meer van hetzelfde' te vermijden en om te onderzoeken of hun stijl aanvulling nodig heeft uit een ander opvoedingsvaatje. Jos en Paula hadden de volgende ouderprofielen:




































Aan de hand van de profielen wordt naar de huidige opvoeding gekeken. Vervolgens wordt in de groep besproken in hoeverre de profielen te herkennen zijn in ieders alledaagse aanpak, en er wordt overlegd over alternatieve reacties in de probleemsituaties. In de profielen van Jos en Paula is te zien dat bij beiden de kwaliteit 'ordelijkheid' ontbreekt. Tussen het besluit het anders te gaan doen en de uitvoering moet 'op een rijtje zetten' worden toegevoegd. Anders schiet Paula vanuit de te afwachtende houding, waarin ze Victor langdurig tot eten aanspoort, meteen door naar te daadkrachtig handelen. Jos wil wel duidelijke grenzen stellen, maar staat er onvoldoende bij stil hoe dat uit te voeren (ordenen) en schiet dan door naar drift. De opgaven mogen nooit tot een nieuwe, vervangende stijl verheven worden. De basis van de opvoedstijl zijn en blijven toch de gaven. De ouders kunnen na deze avond thuis aan het werk. Jos neemt zich voor niet in discussie te gaan met Victor, en om naast Victor te gaan staan in plaats van tegenover hem, en hem met zachte hand 'mee te nemen'. Verder neemt hij zich voor Victor te prijzen als hij iets goed doet. Paula neemt zich voor haar grenzen goed te bewaken. Als Victor klaagt zal ze wel voor hem benoemen wat hem dwarszit, maar ze gaat niet met al zijn wensen mee. Zij kan reageren in de trant van 'wat naar voor je' of 'ík heb het je uitgelegd'. Ook zij neemt zich voor haar reacties kort te houden. Geen eindeloze discussies meer.


Bijeenkomst 3 - Motto's en rollenspelen.
Op de derde avond geven we de ouders hun brief met de 'daar gaat-ie weer' situatie terug, met het verzoek na te gaan welke gaven ze in deze situaties hebben ingezet en in welke vervormingen ze terecht zijn gekomen. Dit is na twee avonden bekend terrein geworden. De volgende opdracht is: zoek een motto of een beeld voor de manier waarop je gehandeld hebt. Dit gebeurt in twee groepjes. De paren worden gescheiden. Een vader met nogal wat doelgerichte kwaliteiten veert op bij de suggestie 'druk op de ketel': 'Precies, dat doe ik'. De volgende stap is het zoeken naar een motto voor een bijgesteld gedragspatroon. 'Druk op de ketel' wordt dan aangevuld met 'rij-instructeur'. Deze vader weet namelijk dat zijn zoon prima reageert als hij rustig en duidelijk zijn aanwijzingen blijft geven. Het vinden van goede motto's lucht op. Alles wat geleerd is, wordt samengevat in zo'n heldere, persoonlijke slagzin. Het vervolgens uitwisselen van alle vondsten in de complete groep is dan ook een opgewekt gebeuren. Ook partners kunnen elkaar openhartig en speels becommentariëren. Jos neemt als motto voor zijn oude stijl 'kort door de bocht', en voor de nieuwe 'vaart minderen spaart kinderen'. Paula noemt haar oude stijl 'een winkel waar de voorraad nooit uitgeput is' en kiest voor de nieuwe stijl het beeld van 'de bushalte': een bus stopt wel regelmatig, maar houdt zich aan het rijschema. De rest van de derde avond en de eerste helft van de vierde avond zijn we bezig met rollenspellen. Daarin spelen ouders zichzelf in hun 'oude' èn in hun 'nieuwe' stijl, en het liefst in de 'daargaat-ie weer' situatie. Er wordt van alles uitgespeeld: kort en duidelijk optreden in plaats van wachten met ingrijpen, of juist het omgekeerde. Soms wordt dat ene kind even apart genomen; in een andere situatie worden de kinderen juist gezamenlijk aangesproken. De kindrollen worden gespeeld door medecursisten, die dan graag de lastpak uithangen. Er wordt ernstig gespeeld en veel gelachen. Het kort na elkaar spelen van een scène in de verschillende stijlen levert indringende ervaringen op: 'Het kan ook zo, zonder eerst boos te worden...' of: 'Ja nu is er contact, in plaats van verwijdering'. In de kindrol ervaren de ouders hoeveel steun er uit gaat van duidelijkheid, hoe onzeker je kan worden van onrust, hoe het werkt als je eerst even wordt aangekeken. Gevoelens van schuld en schaamte duiken soms op, maar worden door de meelevende reacties van de andere ouders in de kiem gesmoord. Wanneer nare herinneringen aan de eigen jeugd zich opdringen, wordt daar ruimte voor gemaakt in aparte oudergesprekken; niet tijdens de cursus. Er werden tijdens de cursus altijd wel herinneringen aan de eigen jeugd benoemd, maar dit leidt niet tot overspoeld worden door emoties. Wij bewaken dat deze rollenspelervaring wordt afgesloten met het formuleren van constructieve voornemens. Het verschil tussen 'kort door de bocht' en 'vaart minderen, spaart kinderen' wordt zichtbaar en voelbaar voor Jos. Hij laat zien hoe hij bij een aanvaring tussen de kinderen in zijn 'oude stijl' geërgerd op Victor afgaat, hem het voorwerp van de strijd afneemt en het aan Sander geeft. In de 'nieuwe stijl' zegt hij rustig en duidelijk tegen Victor wat hij van hem wil: dat hij het aan vader geeft. Hij geeft Victor daar wat tijd voor en staat Sander niet toe om verder uit te dagen. In het rollenspel bereikt hij hiermee het gewenste resultaat. Tot zijn verbazing eigenlijk, gezien het simpele van zijn actie. Ook degenen die Victor en Sander spelen ervaren de werking van de rustige en duidelijke reactie. In het rollenspel van een andere ouder speelt Jos het zusje dat nooit de schuld krijgt, maar wel onopvallend het broertje weet te jennen. Hij voelt de kracht van die positie en het opent hem de ogen voor het effect van het gedrag van Sander op Victor. Paula laat de ochtendsituatie 'oude stijl' zien. Zij vliegt heen en weer en praat voortdurend op Victor in. Hij luistert absoluut niet. In het rollenspel 'nieuwe stijl' probeert zij - letterlijk - stil te staan. Zij moet geholpen worden om dat voor elkaar te krijgen, maar zij ervaart dit als een waardevolle suggestie voor thuis. Een intensiever leermoment is als zij het kind van een ander speelt. Het lijkt of dan opeens het licht aangaat: 'Voelt Victor zich zó?'. Alle ouders registreren in de komende week thuis, zo mogelijk dagelijks, hun ervaringen met de 'oude' en de 'nieuwe' stijl. Jos en Paula zien het cumulatieve effect van de veranderde opstelling van ieder van hen. Zij nemen zich voor om samen een plan uit te werken voor de ochtenden.


Bijeenkomst 4 - Rollenspellen en evaluatie.
Jos en Paula melden aan het begin van de bijeenkomst dat het beter gaat thuis. Ze reageren rustiger. Jos schreeuwt niet zo snel en Paula raakt minder vaak in paniek. Jos gaat nog wel eens 'kort door de bocht', maar het helpt om op tijd 'vaart te minderen'. Escalaties worden zeldzamer, maar Paula valt nog te vaak naar haar zin uit en heeft nog 'dat negatieve gevoel' ten opzichte van Victor. Vooral bij het eten heeft zij telkens weer het gevoel dat hij haar 'tergt'. Na het uitwisselen van ervaringen gaan we door met het rollenspel. Als ieder aan de beurt is geweest, wordt de rest van de laatste bijenkomst besteed aan vragen die nog zijn blijven liggen en aan evaluatie. Jos zegt dat het spelen van de 'kindrol' voor een andere ouder voor hem een openbaring was. Paula zegt dat het haar vooral heeft gesteund dat je allemaal worstelt: 'Het zijn hier allemaal keurige mensen, die allemaal afgrijselijke problemen hebben. Ik voel me niet meer zo alleen'. Als er een vraag komt naar vervolgavonden, zeggen we twee bijeenkomsten toe. Deze worden besteed aan het uitleggen van interactiecirkels in situaties die nog niet naar wens lopen. Ze worden uitgebreid opgeschreven en besproken. En natuurlijk kan er een vervolg aan de cursus gegeven worden in individuele ouderbegeleiding. Op de vijfde bijeenkomst is Paula door ziekte afwezig. Jos brengt het 'niet-eten' in. Iedereen zegt aan tafel tegen Victor dat hij moet eten, ook zijn broertje. Victor eet echter niet, maar praat. De ouders nemen ten einde raad - hun kind moet toch eten - harde maatregelen. Victor verhardt in de strijd, zijn ouders voelen zich hopeloos. Vanuit hun zorg willen ze dat hij eet, maar ze uiten dit door boos op hem te worden en teleurgesteld te zijn. Paula voelt zich door Victor getergd en kan uiteindelijk niets meer. De hele groep zoekt met Jos naar een manier om deze escalaties te doorbreken. Hij gaat naar huis met een aantal suggesties. De zesde keer is Paula er weer, en Victor is meteen na de vorige avond beter gaan eten, nog voordat Jos een van de suggesties in praktijk had gebracht. Dit verwondert hen. Heeft het Victor misschien alleen al goed gedaan om - al was het indirect - positief in de aandacht te staan? Victor gedijt daarbij. De enige uitweg uit klemsituaties, zoals bij het eten, lijkt indirecte positieve aandacht te zijn. Jos en Paula hebben die al gegeven door met anderen over hem te praten en door in de rollenspellen meer begrip voor hem te krijgen. Het nogmaals ingaan op de interactiecirkels leidt tot inzicht op een ander, bewuster niveau in de 'daar gaat-ie weer'-situaties waarmee we de cursus beginnen. En daarmee is de cirkel rond. De ouders kwamen op onze polikliniek omdat Victor zich tegen de wereld verzette en omdat het voor hen moeilijk was om van hem te houden. Gaandeweg de cursus kreeg dit probleem een andere betekenis: Victor vindt het moeilijk om zijn weg in het leven te vinden en voor ons, als ouders, is het moeilijk liefde en zorg te uiten op een manier die hem niet afschrikt. Een paar weken later treffen wij de ouders op een bespreking met het Boddaertcentrum. Zij vertellen dat Victor is gaan eten. Op een familie-etentje was hij voorbeeldig: 'Wat een bijzondere ervaring om zo van hem te kunnen genieten.'


Conclusie
Opvallend is het altijd weer zo opgewekte karakter van deze cursus. Na een avond hard werken zeggen we: 'wat was het weer leuk', terwijl we ons hebben bezig gehouden met flinke opvoedproblemen. Ook de ouders zeggen vaak: 'Het was pittig, maar ook leuk'. We vermoeden drie redenen voor de positieve stemming. Wij benadrukken de gaven, de positieve kwaliteiten van ouders. Problemen ontstaan niet door een tekortkoming, maar door een 'teveel van het goede'. Dus niet: 'u bent te chaotisch', maar 'u bent heel beweeglijk'. De tweede reden voor de positieve sfeer is het in alle openheid aansnijden van de gevolgen van 'teveel van het goede': de vervormingen. Over deze zwakke plekken wordt vanaf het begin openlijk gepraat en gegrapt. De derde reden is karakteristiek voor alle oudercursussen: de wederzijdse herkenning. Specifiek voor onze cursus is het doel: het onderzoeken van de eigen opvoedstijl. De deelnemers hebben kinderen van verschillende leeftijden en met verschillende problemen en er zijn grote verschillen in opleidingsniveau, maar de wil om naar zichzelf als opvoeder te kijken is niet gebonden aan kinderleeftijd of opleidingsniveau. De cursus vraagt een zekere taalvaardigheid, en als die bij een of meer deelnemers ontbreekt, moeten de begeleiders in de eerste bijeenkomst veel assisteren. Bij rollenspellen speelt taalvaardigheid minder een rol. Het zal duidelijk zijn dat de cursus niet is bedoeld voor crisissituaties, noch voor ouders met aanzienlijke individuele- of relatieproblemen. Hij werkt niet zolang er onduidelijkheid is over wat er met het kind zelf aan de hand is. Enige innerlijke en uiterlijke rust is een voorwaarde om naar zichzelf als opvoeder te kijken. Het concept van deze cursus wordt ook in andere werkgebieden gebruikt, zoals voor ouders met 'gewone' kinderen en 'gewone' problemen, en bij de begeleiding van beroepsmatige opvoeders, zoals groepsleiders. Onafhankelijk van ons werk is het concept van de kwaliteitenbalans gelijktijdig ook ontwikkeld door Sijens (1999) voor loopbaanbegeleiding. De verdere ontwikkeling ervan voor ouderbegeleiders zal afhangen van hun bereidheid om ervaring uit te wisselen. Een cursusboek en een korte training zijn bij ons in voorbereiding.


Literatuur
Van der Meer, A. (1997). A career; a job or your life. Combative Networkguide. Enschede: TSM Business School.
Ofman, D. (1996). Bezieling en kwaliteit in organisaties. Utrecht: Servire. Schulz von Thun, F. (1989). Miteinander reden. Reinbek bei Hamburg: Rowohlt.
Stibbe, M. (1978). Mensentypen. Rotterdam: Christofoor.
Sijens, A. (1999). De kwaliteitenbalans. (Niet gepubliceerd manuscript)










Ga naar Trainingen.